Bockbier

Van Einbecker naar Bock: de geschiedenis in het kort

Bock of Bockbier zou oorspronkelijk uit de Noord-Duitse stad Einbeck stammen, valt vaak te lezen. Hoe zit dat nu echt? Einbecker bier was in de Middeleeuwen een erg geliefd én duur exportbier. Oorspronkelijk was het een goudgeel, bovengistend, hoppig en vrij sterk zomerbier, gebrouwen uit 2/3 gerstemout en 1/3 tarwemout.

De hertog van Beieren, ook liefhebber, liet het vanaf 1614 aan zijn eigen hof brouwen. Daar in München veranderde het eerst langzaam van karakter.
Van zomerbier werd het een voorjaarsbier, gedronken in de maand mei. Het werd ondergistend gebrouwen, zoals meer bieren in het Hoffbräuhaus. Men brouwde het er ook minder hoppig. In de 18e eeuw werd het door de collectieve smaak bruin van kleur. Er werd ook geen tarwemout meer bij gebruikt.
En de naam? Die werd eerst ‘ampokhisch’ of ‘anpokhisch’ (niet ‘ainpöckisch’, zoals wel wordt beweerd), vervolgens ‘einbock’ en ook wel ‘ainbock’, en uiteindelijk kortweg ‘bock’.

Dit bier kwam jaarlijks op 1 mei in roulatie, in een speciale Bockkeller. Bock stamt dus niet uit Einbeck maar uit München. Alleen de naam bock herinnert nog aan de verbastering van ‘Einbecker’.
De twee biersoorten verschilden verder van elkaar als dag en nacht: bovengistend versus ondergistend, geel versus lichtbruin, tarwebier versus gerstebier, zomerbier versus meibier, hoppig en dorstlessend versus zachtzoet en zwaar.

Er was nog één overeenkomst: Bock was net als het vroegere Einbecker een sterk bier.
In 1843 werd Bock voor het eerst in Nederland geïmporteerd. Later kwamen er ook Nederlandse versies. De Amstelbrouwerij bracht in april 1872 voor het eerst haar Bock op de markt. Dat is het oudste nog bestaande Nederlandse bier. Bock was in Nederland aanvankelijk een winterbier en is dat lange tijd gebleven. Het is pas sinds de jaren zeventig en tachtig het herfstbier dat we nu kennen.

Bron: nederlandsebiercultuur.nl, Marco Daane